De camping is de enige plek waar je een week lang tijd hebt en geen scherm nodig hebt. En toch zie ik elke zomer dezelfde taferelen: iemand haalt een pak kaarten tevoorschijn, het waait, de kaarten liggen twee velden verderop.
Dit zijn spelletjes die op een camping wél werken. Dat is een aparte categorie, want er gelden andere eisen.
Wat een campingspel anders maakt
Het moet tegen wind kunnen. Alles wat licht is waait weg. Dat schrapt kaarten, papieren scoreformulieren en de meeste bordspellen.
Het moet in de auto passen. Of nog liever: in een tas naast de tent.
Buren moeten kunnen aanschuiven. Het mooiste van kamperen is dat er ineens iemand meedoet. Een spel voor precies vier personen werkt daar tegen.
Het moet tegen gras, zand en een beetje regen kunnen. Karton overleeft één vakantie.
De spellen zelf
Kubb. Zet je op elk grasveld neer, speelt met twee tot twaalf mensen, en de blokken waaien niet weg. Bovendien kun je halverwege stoppen en later verder. Voor de camping is de compacte Go-set het handigst: die past in een rugzak.
Jeu de boules. Zwaar in de tas, maar onverwoestbaar en overal te spelen.
Frisbee. Weegt niets, kost niets, en je hebt er niemand anders voor nodig.
Dobbelspellen met een beker. De enige papierloze variant die tegen wind kan.
Ringwerpen. Zelf te maken van een stok en wat touw, en kinderen doen er uren mee.
Zwemband-basketbal. Als er een zwembad is: een zwemband op het water, ballen erin gooien.
Wat je beter thuis laat
Kaartspellen zonder klemmen, alles van karton, spellen met veel kleine onderdelen die in het gras verdwijnen, en spellen die per se met vier moeten. Op een camping speelt nooit precies het aantal mensen dat op de doos staat.
Het spel dat de hele week meegaat
Kubb is bij ons het spel dat op dag één uit de tas komt en er pas op de laatste dag weer in gaat. Het staat opgesteld naast de tent, en iedereen die langsloopt doet een worp.
Nooit gespeeld? De uitleg in 3 stappen is genoeg om te beginnen. En als je twijfelt tussen de sets: de vergelijking staat hier.